|
De geschiedenis van Tilburg
in het kort!
De huidige stad Tilburg is
gelegen op een hogere rug tussen de naar het noorden uiteen wijkende
stroomdalen van de Rielse Leij en Donge in het westen en de Poppelse
Leij en Voorste Stroom in het Oosten. Het gebied werd al omstreeks
elfduizend jaar geleden bezocht door rondtrekkende nomadenstammen. Hun
stenen werktuigen zijn met name ten noorden van de stad in het gebied
van de Loonse Heide en de Drunense Duinen opgegraven. Op de randen van
het plateau bij de beekdalen vestigden zich in de Bronstijd, ongeveer
1500 voor Christus, primitieve veetelers en landbouwers van
verschillende culturen. Op de Rechte Heide tussen Goirle en Riel zijn
nog de door hen opgeworpen grafheuvels te zien. Dicht bij het huidige
gemeentearchief werden al in 1841 grafurnen uit die tijd opgegraven. Ook
uit de periode omstreeks het begin van onze jaartelling zijn sporen van
bewoning gevonden op de hellingen bij de waterlopen ten zuiden en ten
oosten van de huidige stad. De heidevelden boven op het tableau lijken
pas later ontgonnen en bewoond te zijn. Het is dan ook maar helemaal de
vraag of de zogenaamde "Frankische Driehoeken" de bij de samenstellende
delen van Tilburg veel voorkomende nederzettingsvormen, werkelijk al
uit die periode stammen.
De vermelding van de naam
"Tilliburgis" als aanduiding van de plaats waar in 709 een
schenkingsakte van goederen te Alphen voor Willebrord wordt opgemaakt,
heeft de historici veel stof tot discussie gegeven. Het veiligst lijkt
de volgende verklaring. Het eerste deel kan een persoonsnaam zijn. Het
tweede deel moet een meervoudsvorm zijn van het woord "burgus", dat in
zijn ruimste betekenis kan slaan op rechtsgebied van vrij grote omvang,
dat zeker niet versterkt hoeft te zijn en dat meer woonkernen van
landelijke aard kon omvatten. Daarmee kunnen speculaties dat in Tilburg
gezien de naamgeveing al in de achtste eeuw een of meer burchten moeten
hebben gestaan, worden afgewezen. Bovendien is daarmee ook verklaard,
dat tot in de 14e eeuw met de aanduiding Tilburg méér dan alleen de
huidige gemeente of de vroegere pandheerlijkheid wordt bedoeld.
"Tilburg" was dus aanvankelijk de aanduiding van een groter gebied in de
Karolingische gouw Taxandria, waarin zich veel later op de overgang van
de 12e naar de 13e eeuw twee domaniale kernen blijken te hebben
ontwikkeld: West-Tilburg, het huidige Tilburg in nauwe relatie met zeker
Enschot en waarschijnlijk ook al Goirle, en Oost-Tilburg, het huidige
Oisterwijk, waar toe ook zeker Helvoirt, Udenhout en Berkel gerekend
mogen worden. De in de 12e eeuw op of nabij het domein ("ten Rijt", ten
zuiden van de huidige Oude markt) van het uit het kerngebied van het
hertogdom Brabant afkomstige en aan de heren Van Boxtel verwante
geslacht der Giselberten ontstane kerk, toegewijd aan Sint Dionysius
(West-Tilburg), wordt in 1232 aan de Norbertijner abdij van Tongerlo
geschonken. Deze "kapel" schijnt in kerkrechtelijk opzicht de oude
parochiekerk van Enschot, toegewijd aan Sint Michiel, te hebben
overvleugeld. De bij een nu verdwenen vroegmiddeleeuwse burcht
("Terborch", aan de Voorste Stroom ten oosten van de kern Oisterwijk)
gestichte kerk van Sint Petrus (Oost-Tilburg) komt in 1231 aan de abdij
van Sint Geertruij te Leuven. In beide gevallen zien we dat er een
machtsverschuiving heeft plaats gevonden ten koste van de heren uit de
familie der Giselberten van Tilburg en hun verwanten uit de families Van
Gageldonk, Van Kruiningen, Van Pumbeke en Van Boxtel, en ten gunste van
de Hertog. Hendrik I die enige decennia daarvóór zijn machtsuitbreiding
naar het noorden bevestigde met de stichting van de 's-Hertogenbosch,
blijkt in 1222 al de "burcht" van Oost-Tilburg in leen te hebben van de
bisschop van Utrecht. De schenkingen aan de abdijen van de kerkrechten
en de daarbij behorende tiendrechten gebeuren door hem of zijn
instignatie, en in 1230 bevestigt hij de Vrijheid Oisterwijk en staat
hij de inwoners toe het recht van 's-Hertogenbosch aan te nemen.
West-Tilburg was zo dus vanaf het eerst kwart van de 13e
eeuw een hertogenlijk dorp geworden met hier en daar nog herinneringen
aan de vroegere situatie: kleine leengoederen van de hoven van
Gageldonk-Breda en Boxtel. Families die zich in de gunst van de hertogen
wisten, verwierven zich daarnaast eveneens aanzienlijke leengoederen.
Dat gold met name leden van de familie Back - Van Broekhoven, waarvan er
één, Walter Back, abt van Tongerlo (1333-1366) zelfs in de hertogenlijke
raad zetelde. Blijkens een in een bevestigingsoorkonde uit 1395 van
Hertogin Johanna van Brabant opgenomen oudere akte, gaf haar vader Jan
III in 1342 aan zijn lieden van Tilburg en het daarmee blijkbaar toen al
bestuurlijk verenigde Goirle eigen rechtspraak en andere op die van een
"Vrijheid" gelijkende rechten.
Ook in andere bronnen is in 1395 al sprake van een
"Dincbanc de Tilborch et de Goerle". In die periode blijken
bovendien zeven gegoede lieden voor de totale dorpsgemeenschap in rechte
op te treden. Het is nog niet duidelijk hoe een en ander zich verhoudt
tot het gegeven dat Tilburg en Goirle te zamen met Drunen, Gansoijen en
de Tol van Venloon (Loon op Zand) in 1387 als onderpand voor een lening
van 4000 oude schilden door Hertogin Johanna in leen gegeven werd aan de
toenmalige hoogschout van de Meierij, Paulus van Haestrecht. Feit is dat
zelfs nog lang nadat diens gelijknamige kleinzoon in 1453 door de
toenmalige hertog Philips de Goede het recht had verworven de zeven
schepenen voortaan te benoemen, de inwoners van Tilburg naar de
schepenen van Oisterwijk gingen om rechtshandelingen te laten
vastleggen. De zeven schepenen, vijf voor Tilburg en twee voor Goirle,
vonnisten volgens het recht van 's-Hertogenbosch, alwaar men ook "te
hoofde" kon gaan. De eveneens door de heer aangestelde schout, vanaf het
midden van de 17e eeuw drossaard, was uitvoerder van diens heerlijke
rechten en daarmee samenhangende verplichtingen, met name ten aanzien
van het handhaven der openbare rechtsorde. Tilburg en Goirle was een
"hoge heerlijkheid", d.w.z. dat ook halsmisdrijven mochten worden
gevonnist. De gezamenlijke inwoners van de oorspronkelijk elf herdgangen
of gehuchten hadden ook sinds 1329 door koop van de hertog het recht van
gebruik van de gemene gronden of "gemeint" verworven. Uit het beheer
daarvan ontwikkelde zich ook een eigen dorpshuishouding, Goirle had
daarbij een aparte status, waarvan de financiën tenminste sinds de helft
van de 16e eeuw beheerd werden door de aanvankelijk drie, later twee
burgemeesters. Uit het gezamenlijk toezicht van de eigengeërfden op dit
beheer ontwikkelde zich op den duur een college van 22 afgevaardigden
van de herdgangen, die bij alle belangrijke beslissingen inzake de
dorpsfinanciën of de belastingen dienden te worden geraadpleegd. De
"Huishoudinge ende Financie voor de Heerlijkheden Tilborgh ende Goirle"
werd pas in 1732 door de Raad van State in een Reglement definitief
geregeld. De "22 mannen" werden toen vervangen door een "corporele
vergadering". Op dat moment werd het aantal herdgangen vastgesteld op
twaalf: Oerle en Broekhoven, Korvel en Laar, Berkdijk, Reit, Hoeven,
Hasselt, Stokhasselt, Oost-Heikant, West-Heikant, Veldhoven, Loven, en
Kerk en Heuvel.
Na de dood van Paulus (II) van Haestrecht in 1473 werden
zijn bezittingen verdeeld over zijn drie zoons. Tilburg en Goirle kwamen
aan Jan van Haestrecht. Vier jaar later koopt deze van de gebroeders
Gerit en Jan Back een reeds in 1450 vermelde "stenen camer" aan de
Hasselt. Dit betreft de oudste vorm van het kasteel waarop voortaan de
Heren van Tilburg als ze in het dorp verbleven, woonden, totdat het na
verscheidene verwoestingen en her- of verbouwingen in 1858 voor afbraak
werd verkocht. In 1977-1980 werden de fundamenten opgegraven en na
bestudering weer met zand bedekt. Onlangs werden de contouren
gereconstrueerd in een aldaar aangelegd plantsoen. In dezelfde periode,
nog voor het einde van de 16e eeuw, moeten ook de twee nog bestaande
oorspronkelijke schuttersgilden van de voetboog of Sint Joris (vóór
1483) en van de handboog of Sint Sebastiaan (vóór 1504) zijn ontstaan.
Het derde gilde, van de kolveniers of Sint Dionysius, wordt pas in 1665
gesticht door de toenmalige vrouwe van Tilburg. Blijkens hun door
de heren verleende "gildekaarten" hadden zij de bevoegdheid om
gewapenderhand op te treden tegen eenieder die van buitenaf inbreuk
maakte op de openbare orde en veiligheid. Samen met de andere aan de
altaren in de kerk verbonden broederschappen gaven zij eeuwenlang
uitdrukking aan de behoefte aan maatschappelijke solidariteit en
openbare religieuze beleving. Hun schieten op de koningsvogel was
vanouds verbonden met hun jaarlijkse herdenkingsfeest van de wijding der
kerk, de nog steeds bestaande Tilburgse kermis.
De in 1483, na een vergroting, opnieuw gewijde kerk van
Tilburg werd bediend door de Norbertijnen van de abdij van Tongerlo, die
ook een deel van de tiendrechten bezat. De pastoors bewoonden de in 1384
verworven pastorie Moerenburg, gelegen op de grens met de parochie
Enschot, die eveneens van daaruit bediend werd. Daarnaast bezat de abdij
enige hoeven, waaronder de nog bestaande Togerlose hoeve waar de tienden
werden opgeslagen in de tiendschuur of "Spijker". Kerkrechtelijk
behoorde de parochie Tilburg van oorsprong tot het bisdom Luik en
daarbinnen tot het aartsdiakonaat Kempenland en het dekenaat
Hilvarenbeek. Na de kerkelijke herindeling der Nederlanden van 1559
ressorteerde Tilburg onder het nieuwe bisdom 's-Hertogenbosch. De val
van die stad was er de oorzaak van dat de na een brand in 1595 herbouwde
kerk in 1633 in bezit genomen werd door een predikant en een handvol
hervormden. De katholieken moesten zich vanaf toen behelpen met grens- en
schuurkerken. De kerk werd in 1822 gerestitueerd aan het zuidelijk deel
van de in 1797 gesplitste parochie. De explosieve groei van de
merendeels katholiek gebleven bevolking in de 19e en 20e eeuw zorgde voor
een verdere opsplitsing van de twee toen ontstane parochie's. 't Heike
en 't Goirke. Ten slotte waren er dat 31 die te zamen met de drie
parochies van Goirle tegenwoordig een dekenaat vormen. De Hervormde
Gemeente kreeg in 1824 een nieuwe kerk aan de Zomerstraat. In de
loop van de anderhalve eeuw vestigden zich uiteraard ook andere
kerkgenootschappen op reformatorische grondslag in Tilburg. De reeds op
het einde van de 18e eeuw ontstane kleine joodse gemeenschap werd zwaar
geteisterd door de verschrikkingen in de Tweede Wereldoorlog.
Keren we terug naar de Heerlijkheid Tilburg en Goirle.
Deze kwam in 1524 door vererving aan de familie Van Malsen en in 1621 op
gelijke wijze aan de familie Schetz van Grobbendonck. Deze verkocht haar
rechten en verplichtingen in 1710 aan Willem Prins van Hessen-Kassel,
die ze na zijn opvolging als landgraaf in 1754 wederom verkocht aan
Gijsbert rijksgraaf van Hogendorp. Na het vervallen van de heerlijke
rechten in de Bataafse tijd werden de eigendommen en overgebleven
rechten in 1858 bij veiling door zijn nakomelingen te gelde gemaakt. De
hertogen van Brabant zijn nooit in staat geweest het pand in te lossen.
Hun rechtsopvolgers, de aartshertogen Albertus en Isabella verkopen ten
slotte in 1612 de heerlijkheid "erfelijk" aan de toenmalige heer Adriaan
van Malsen. De uit de opstand voortvloeiende 80-jarige worsteling met
Spanje bracht voor het platteland van Brabant veel verwoestingen en
leed. Tilburg werd herhaaldelijk geplunderd en belast met
oorlogsschattingen ondanks de duurbetaalde sauve-gardes van bevelhebbers
van beide zijden. Ook na de val van Den Bosch in 1629, dat onder bevel
stond van de gouveneur Anthony Schetz, heer van Tilburg, bleef een
verwarde toestand bestaan, totdat bij de Vrede van Munster het gezag van
de Staten-Generaal definitief in de Meijerij werd bevestigd. Vanaf dat
moment was de Raad van State in 's-Gravenhage belast met het
daadwerkelijk opperbestuur over het op de vijand veroverde gebied, de
"Generaliteitslanden". Het hoogste beroepscollege in rechtszaken, de
Raad van Brabant, zetelde vanaf toen ook in 's-Gravenhage, terwijl de
rentmeester van de geestelijke goederen in 's-Hertogenbosch voortaan een
groot deel van het oorspronkelijke kerkbezit administreerde. Het
"Reglement op de Politique Reformatie van 's-Hertogenbosch" van 1660,
alsmede de talloze plakkaten van de Staten-Generaal waren bepalend voor
de als knechting ervaren inperking van de rechten van de inwoners van de
Meierij en dus ook van Tilburg. Aan deze situatie kwam een einde door de
gebeurtenissen van 1794-1795, toen na de inval van de Fransen de
Bataafse Republiek werd uitgeroepen, waarin de Generaliteitslanden hun
ondergeschikte status verloren en voortaan ook afgevaardigden mochten
sturen naar de Staten-Generaal en kort daarna naar de Nationale
Vergadering. Brabant werd een gewest waarvan de "Provisionele
Representanten", onder voorzitterschap van de uit Leiden in 1790 naar
Tilburg gekomen patriot Pieter Vreede, op 11 juni 1795 voor het eerst in
dit dorp bijeenkwam. Voor de schepenbank kwam in dat zelfde jaar een
gekozen municipaliteit in de plaats, met en eveneens gekozen drossaard.
Het al wat langer zelfstandiger bestuurde dorp Goirle werd in 1803 een
aparte gemeente.
De periode van het Koninkrijk Holland bracht voor
Tilburg, op dat moment "het volkrijkste vlek" van de Meijerij, de status
van stad, haar door Lodewijk Napoleon nazijn bezoek in 1809 verleend. De
gemeente had in aanvang van de 19e eeuw bijna 10.000 inwoners. Dit aantal
groeide tot 14.500 in 1850 en vervolgens tot ruim 40.000 in 1900. De
100.000 werd in 1941 gehaald. Deze snelle groei, vooral in de tweede
helft van de 19e eeuw, was met name mogelijk door de zich dynamisch
ontwikkelende wolindustrie, waarvan de basis al was gelegd met de
traditionele huisnijverheid van de zandgronden. De Tilburgers bewerken
het bijproduct van de schapenteelt, nodig voor de bemesting van de
schrale akkers, en verhandelen het via tussenpersonen op de markten van
Vlaanderen en Brabant, met name Antwerpen, en die van Holland met name Rotterdam
en Leiden. De vervaardiging van en handel in wollen weefsels, zoals
laken, moet in Tilburg al in de Middeleeuwen van belang zijn
geweest, en hier en daar al omstreeks 1500 een industrieel karakter
hebben aangenomen. Weliswaar ging na 1629 de zuidelijke markt
grotendeels verloren en werd er grote concurentie ondervonden van de
veelal door Zuidnederlandse immigranten gedreven Hollandse lakenindustrie,
waardoor Tilburg verviel tot leverancier van goedkope halffabrikaten
voor met name Leidse ondernemers, toch bleef deze nijverheid vooral door
in 1651 verleende vrijstelling van invoerrechten in Holland van zeer
grote betekenis. Zo zelfs dat, ondanks allerlei conjuncturele of door de
politieke omstandigheden veroorzaakte malaises, op het eind van de 18e
eeuw autochtone of zich van elders in Tilburg vestigende ondernemers de
stap naar de moderne industrie konden maken. De voor de inlandse
bedrijvigheid zo gunstige protectionistische sfeer van de Franse tijd
heeft deze ontwikkeling begunstigd, en we zien in het begin van de 19e
eeuw gemechaniseerde fabrieken naar Engels model verschijnen.
Dit alles bevorderde in de loop van die eeuw de
aaneensmelting van de vele door landwegen verbonden gehuchten met een
nog voornamelijk agrarisch karakter tot een fabrieksstad met op enige
belangrijke uitzonderingen na, onder andere de Centrale Werkplaats van
de Spoorwegen in 1868 en de lederindustrie, een sterke, nadruk op de
wolindustrie en de haar ondersteunende bedrijven. Deze ontwikkeling
heeft nadrukkelijk het stadsbeeld bepaald en is er de oorzaak van dat
de gemeente Tilburg in de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw voor de
opgaaf kwam te staan om uit de economische en sociale crisis van de
wegvallende textielindustrie te geraken en aan de nu ruim 150.000
inwoners een vernieuwd woon- en werkmilieu te verschaffen. Het is gezien
dit alles niet verwonderlijk dat in Tilburg voor katholieke streken al
betrekkelijk snel vak- en standsorganisaties ontstonden, waarbij
uiteraard voor de textielarbeiders een hoofdrol was weggelegd. Zo werd
de Tilburgse kapalaan Lambert Poell, medestander van dr. Ariëns in
Twente, in 1944 door de bisschop vrijgesteld om de katholieke
textielarbeiders in een diocesane bond te organiseren. De samenwerking
tussen de textielfabrikanten gaf richting aan het ontstaan van
landelijke organisaties op dat terrein, die veelal hun zetel in Tilburg
kregen, verenigd in het Bureau van mr. dr. B. van Spaendonck, dat ook
een aantal pensioenfondsen ging beheren. Daar wordt bovendien sinds 1922
het sekretariaat gevoerd van de in 1842 gestichte Kamer van Koophandel
en Fabrieken. In 1918 vestigde de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond
haar hoofdkantoor in Tilburg. Dit alles heeft er mede toe geleid dat
Tilburg zich ontwikkelde tot een centrum van dienstverlenende
bedrijvigheid.
Tilburg is, ondanks dat reeds in 1575 door Philips II een
privelege tot het houden van week- en jaarmarkten werd verleend,
waardoor de wijk rond de kerk (Oude Markt) zich tot een soort dorpskern
kon gaan ontwikkelen, nooit een echt centrum van handel of verkeer
geworden. De ligging, waardoor de voornaamste land- en waterwegen tussen
belangrijkere en oudere centra in Noord- en Zuid-Nederland Tilburg op
ruime afstand passeerden, heeft zo'n ontwikkeling in de weg gestaan. De
in de 19e eeuw ontstane aansluitingen op het spoorwegnet, 1863 Breda,
1865 Eindhoven, 1867 Turnhout, 1818 's-Hertogenbosch en het graven van
het Wilhelminakanaal in 1923 hadden voornamelijk betekenis voor de aan-
en afvoer van grondstoffen en produkten van de eigen industrie.
De huidige centrale ligging binnen het autowegennet van
Noord-Brabant en het Beneluxgebied heeft er wel voor gezorgd dat nieuwe
inpulsen voor industrie en dienstverlening mogelijk zijn gebleken.
Daarnaast hebben de stichting door pastoor Johannes Zwijsen, de latere
aartsbisschop, van een zuster- en een frater-congregatie met hun
onderwijzersopleidingen en een gymnasium al in de 19e eeuw, alsmede de
vestiging van een R.K. Handelshogeschool in 1923, nu de Katholieke
Universiteit Brabant, en de R.K. Leergangen in 1912 de basis gevormd
voor de ontwikkeling van Tilburg tot onderwijsstad.
Tilburg heeft in alle oorlogen, waarbij de Nederlanden
betrokken waren, deel gehad aan de ellende die daarmee gepaard ging. Dat
gold zeker voor de krachtmeting met Spanje in de 16e en 17e eeuw, maar
ook voor met de Franse expansiedrift samenhangende militaire campagnes
in de anderhalve eeuw daarna. In de dertiger jaren van de 19e eeuw was
Tilburg hoofdkwartier van de zo populair geworden Prins van Oranje, de
later Koning Willem II, die door zijn vader benoemd was tot
opperbevelhebber van het leger tegen de Belgen. Diezelfde Belgen vonden
er in de Eerste Wereldoorlog in grote getalen een onderkomen na hun
vlucht uit hun door de Duitsers overlopen vaderland. De terreur van de
Tweede Wereldoorlog eindige voor Tilburg met de bevrijding door de
geallieerden op 27 oktober 1944. Het daaraan voorafgaande bombardement
van de stad kostte vele slachtoffers, maar al in de vier jaren daarvoor
hadden veel Tilburgers getoond dat ze bereid waren om voor de vrijheid
tot het uiterste te gaan.
Met de dankbare herinnering daaraan moge dit
overzicht over Tilburgs Historie besloten worden.
Overgenomen uit de publicatie "Het Gemeente Archief van
Tilburg" uitgegeven in 1988 bij de opening van het nieuwe
gemeentearchief van Tilburg,
|