|
|
|||
|
|
|||
|
|
|
|
|
|
Het Nederlandse Rijkswapen
|
Het Belgische Rijkswapen |
||
|
|
|||
|
Cu'jus
re'gio e'jus reli'gio, die het land regeert, diens godsdienst geldt.
Zoals
in de inleiding reeds is gememoreerd loopt dit gezegde als een rode draad
door de geschiedenis van onze voorvaderen.
Zo
begon ook de 18e Eeuw met een oorlog tegen het imperialistische Frankrijk.
Op 20 september 1697 was in Rijswijk nog een einde gemaakt aan de
negenjarige oorlog tussen Lodewijk XIV van Frankrijk en een coalitie van
Europese landen onder leiding van Willem III prins van Oranje, koning van
Groot Brittanië en Ierland en stadhouder van Holland. In Spanje begon de
strijd om de troon tegen de Oostenrijkse keizer en de Franse koning
Lodewijk XIV. De laatste wilde de naties boven en onder de Pyreneeën
verenigen tot een Westeuropees wereldrijk en ondanks drukke diplomatieke
activiteit van Willem III deed de kleinzoon van Lodewijk XIV, Filips van
Anjou kort daarna zijn intocht in Madrid. Lodewijk XIV versterkte in het
noorden met behulp van de keurvorst van Beieren zijn gezag met de
bezetting van de Zuidnederlandse vestingen. Nederlandse troepen die er
sinds de vrede van Rijswijk gelegerd waren, moesten zien dat ze wegkwamen.
Willem III zag het gevaar en mobiliseerde in 1701 de Duitse vorsten, de
Oostenrijkse keizer, Engeland en Nederland tot een sterke anti-Franse
eenheid. Doel was de Italiaanse bezittingen en de Zuidelijke Nederlanden
aan Filips van Anjou te ontnemen en aan de keizer van Oostenrijk terug te
geven. Terwijl de regenten in Engeland en de Nederlanden nog
beraadslaagden over de wenselijkheid, dit Verbond formeel goed te keuren,
nam Lodewijk XIV zelf het initiatief door in het najaar van 1701 bij het
overlijden van Jacobus II de koning van Engeland diens zoon Jacobus III
plechtig als nieuwe koning van Engeland te erkennen. Willem III die was
getrouwd met Maria Stuart de dochter van Jacobus II was voor het trotse
hoofd gestoten en een oorlog was onvermijdelijk geworden.
Klaar
voor de strijd viel Willem echter in maart 1702 in Hampton Court van zijn
paard en overleed.
De
oorlog had in het Staatse Noord-Brabant zijn schaduw reeds
vooruitgeworpen. Eindhoven, steeds weer beschuldigd van leveringen van
graan aan de vijand, werd afgesneden van de normale graanhandel. Werden
elders nog voorraden aangelegd, hier heerste honger. Zo vlak onder de
grote rivieren gelegen was Brabant natuurlijk een verzamelplaats voor
troepen van de diverse strijdende partijen. Ineens was heel Europa weer op
een luttel stuk grond verenigd. Fransen, Spanjaarden en Duitsers aan de
ene kant, Hollanders, Engelsen, Denen en Duitsers onder opperbevel van de
verafschuwde John Churchill aan de andere kant, het moet een enorme massa
zijn geweest. Groot was de kracht van het indrukwekkende Staatse leger
waarvan onderdelen regelmatig bij Geldrop in kamp lagen. Van welke partij
de soldaten waren maakte de burgerij niet zo gek veel uit. Ze eisten
immers allemaal hun deel van de schaarse goederen die boeren en burgers
waren overgebleven. Kennelijk werd jegens de "inboorlingen"
alles geoorloofd geacht. In Tilburg en Helmond, Waalre en Valkenswaard,
Westerhoven en Rijthoven, Strijp en Gestel, overal werden mensen ernstig
mishandeld, zelfs kinderen werden doodgesmeten. Werden de vestingsteden
voor deze wandaden gespaard, de enorme opeenhoping van vreemd krijgsvolk
dat zich verveelde leidde tot een welhaast ondraaglijke overlast voor
ondermeer Bergenaren en Bosschenaren. Ernstig waren ook de contributies
die door de regeringen van zowel Frankrijk als van de
Republiek
werden opgelegd. Bidden en smeken leverde uitstel op, niet veel meer dan dat. De lasten werden naar de toekomst verschoven, een toekomst die, zoals
de misoogst van 1709 bewees, weinig goeds in petto had. Door tussenkomst
van de Engelsen konden in deze tijd in Utrecht besprekingen worden
begonnen waarbij de Nederlanden wel partij waren maar zich in de praktijk
moesten schikken naar de inzichten van de grote mogendheden. De
belangrijkste winst voor de Nederlanden was, dat er een staand leger in de
voornaamste vestingen in de Zuiderlijke Nederlanden gelegd mocht worden
ter bescherming tegen Frankrijk.
Na
het overlijden van Willem III leek de stadhouder van Friesland en
Groningen, Johan Willem Friso, de meest aangewezen persoon om hem op te
volgen. Dat het niet zover is gekomen kwam door het tragische ongeval
waarbij hij op 14 juli 1711 bij Moerdijck is verdronken. Zijn zoon Willen
Karel Hendrik Friso zou in mei 1747 opvolgen als erfstadhouder Willem IV
van alle gewesten. Zware druk werd op de oude regentenklasse uitgeoefend
om de bevoegdheden van Oranje te vergroten. Met succes; zijn ambten werden
erfelijk verklaard en hij kreeg het recht om bij jaarlijkse benoemingen
van burgemeester en schepenen te recommanderen of voor te dragen. Veel
verbetering bracht dit vooralsnog niet. De grootste klap voor de
Nederlanden was de overgave van Bergen op Zoom in 1747 aan de Fransen. De
stadsbevolking ontsnapte niet aan de gevolgen van de nederlaag.
Voorttrekkend
hielden de Franse legionairs zich op het Brabantse platte land in leven
met etenswaren die de arme bevolking niet kon missen. Mismoedig
stelde de stadhouder vast dat de oorlog de krachten van het land te boven
ging. De kas raakte uitgeput, er bleef niets anders over dan te
onderhandelen. Maart 1748 begonnen de vredesonderhandelingen in Aken.
Omdat
Lodewijk XV niet als zakenman maar als koning zaken wenste te doen, kreeg
de Republiek het oude grondgebied terug, inclusief de nu grotendeels
ontmantelde barrièresteden. Anders dan het volk verwachtte, corrigeerde
de stadhouder de wantoestanden niet. Afkerig als hij was van
volksbewegingen gaf hij de aristocratie de ruimte om hun parasitaire
leventje te hervatten.
Gefrustreerd
en teleurgesteld kwamen burgers en volksmassa's in 1748-1749 samen in
beweging. In het noorden vormden vooral belastingpachters het doelwit van
de relschoppers. Hoewel de prins-stadhouder velen teleurstelde, probeerde
hij wel de nijverheid te stimuleren. Met name de weefnijverheid had zijn
warme belangstelling. Vermoeid en geïsoleerd zocht hij een sterke
rechterhand. De Oostenrijkse veldmaarschalk hertog Lodewijk van
Brunswijk-Wolfenbüttel leek de aangewezen persoon om in die behoefte te
voorzien. Veel trek had de veldheer evenwel niet om in de zieltogende
natie zijn hoofd in een wespennest te steken. Slecht door het aanbieden
van een vorstelijk traktement van zestigduizend gulden en de belofte dat
hij gouverneur van Den Bosch zou worden, kreeg de onderhandelaar Bentinck
hem naar Nederland.
Met
de dood van Willem XIV in 1751 was voor de corpulente Oosterijker het pad
geëffend om samen met de douairière Anna van Engeland de kleine Willem V
op te voeden en in zijn naam als kapitein-generaal op te treden. De dikke
hertog maakte royaal gebruik van de hem toegemeten ruimte, gesteund door
de Friese hofkabaal. Er kwamen dus geen hervormingen. Integendeel, de oude
verstarde verhoudingen werden bevestigd en zelfs aangescherpt.
Internationaal werd de positie van de Republiek verder ondermijnd door een
feitelijk opgelegde neutraliteit in de conflicten tussen Frankrijk en
Engeland. Frankrijk was met Oostenrijk één front gaan vormen; de
Oostenrijkse Nederlanden waren dus geen barrière meer tussen ons land en
de grootmacht Frankrijk in het zuiden. Daarom durfde de Republiek niet aan
haar oude verplichtingen jegens Groot-Brittannië te voldoen. Dit bracht
als reactie op het getalm Nederlandse koopvaardijschepen op, ook als er
feitelijk gaan contrabande aan boord was. Pleidooien van kooplieden voor
versterking van de vloot haalden weinig uit. Regentes Anna was tezeer aan
haar Engelse familie gebonden om voor de openlijke confrontatie met de
Britten te kiezen.
In
1766, twee jaar na de geboorte van Wouterus Embrechts, was de zwakke en onzelfstandige Willem V, Prins van Oranje en Nassau
en erfstadhouder van alle Verenigde Nederlanden aan de macht gekomen onder
wiens bewind het verval van de Republiek voortging met als dieptepunt de
Vierde Engelse Oorlog in 1780. Willem V was geboren op 8 maart 1748 als
zoon van erfstadhouder Willem IV (Karel Hendrik Friso) en Anna van
Hannover. Toen zijn vader Willem IV in 1751 overleed was Willem V drie
jaar oud. Anna van Hannover zijn moeder werd voogdes over haar kinderen en
gouvernante over haar zoon Willem. Na haar overlijden in 1759 kwam de voogdij over Willem V aan Brunswijk die benoemd werd tot waarnemend kapitein-generaal der Unie. Lodewijk Ernst Brunswijk hertog van Wolfenbüttel was door Willem IV al eerder aangesteld tot veldmaarschalk van de Republiek. Bij meerderjarigheid in 1766 aanvaardde Willem V al de waardigheden van zijn vader echter door een geheime acte van consulentschap bond hij zich geheel aan Brunswijk als raadsman.
Omstreeks 1776 worden er in Nederland talloze armenhuizen gesticht, dit was slechts een druppel op de gloeiende plaat, de handel lag volkomen plat. In 1778 verklaard Frankrijk de oorlog aan Engeland en trekt Frankrijk alle handelsvoordelen voor de Republiek in. Engeland vraagt in 1779 de Republiek om steun tegen de Spanjaarden zich beroepend op een verdrag uit 1678. Omdat de Republiek zich niet houd aan dat verdrag zegt Engeland het handelsverdrag uit 1764 op. De vierde Engelse oorlog breekt uit, een dieptepunt, omdat de handel toch al bijna stil lag was dit de doodsteek voor de Republiek.
Onder
het oppervlakte smeulde tegen de sombere sociaal-economische achtergrond
heel de tweede helft van de achttiende eeuw het vuur van ontevredenheid en
verzet. De oppositie tegen het bewind dat de Republiek steeds verder het
dal in dreef, groeide tegen de verdrukking in. De burgerij moest wél
zware lasten dragen maar kreeg geen kans om haar invloed ten goede aan te
wenden. Gestudeerden, fabrikanten, kooplieden en predikanten kregen steun
van andere groepen achtergestelden, rijke heren met gezag en invloed. In
1781 werden in een aantal steden een anoniem pamflet verspreid met een
felle aanval op Willem V. Het volk werd opgeroepen zich te bewapenen en op
te komen voor de belangen van de Republiek. Ook van Brunswijk kreeg het
hierin zwaar te verduren. Onvrede en ongenoegen zijn de sterkste elementen
van elke opstandige beweging in opkomst, tenminste wanneer het bevoegd
gezag niet verzuimt op te treden. En Willem V trad niet op, zeer tot
verdriet van zijn echtgenote Wilhelmina Frederika Sofia van Pruisen. Een
beweging als deze had nooit de Republiek op haar grondvesten kunnen doen
schudden, als het ongenoegen niet zo algemeen en massaal was geweest.
Het
meest tragische in de snel groeiende tegenstellingen van de jaren
1782-1787 was het onbegrip dat over en weer heerste. De aristocraten zagen
in de patriotten revolutionairen, die het hele sociale bouwwerk van die
dagen wilden afbreken.
Wanneer
patriotten het hadden over volksinvloed, dan bedoelden ze daarmee niet dat
de meerderheid het voor het zeggen moest hebben, want dat was het grauw of
het gemeen. Dat onderontwikkelde volk moest werken en zich vooral rustig
houden. Op veel sympathie vanuit de onderste lagen hoefde de gezeten derde
stand dan ook niet te rekenen toen het in 1787 tot een dramatische climax
kwam.
Overal
werden Sociëteiten en genootschappen opgericht en werden hulptroepen
geworven voor het patriottenleger in de opstandige stad Utrecht. Twee
typische "Generaliteitsproblemen", tot uiting komend naast de
grieven die de burgerij ook elders uitte, waren de betaling van
onrechtvaardig geachte belastingen en de benoeming van vreemden, d.w.z.
Hollandse en Protestantse regenten in het Brabantse bestuur.
De
tussenkomst van koning Frederik Willem II van Pruisen na de aanhouding van
zijn zuster prinses Wilhelmina bij het riviertje de Vlist had in de zomer
van 1787 een snelle en krachtige restauratie van het Oranjegezag tot
gevolg. Mede dank zij de hulp van "het gemeen" schreed Willem V
in ongekrenkte waardigheid de steden Den Haag en Amsterdam binnen.
Genootschappen en "vliegende legertjes" werden ontbonden en
vooraanstaande patriotten beschuldigd van op z'n minst onruststokerij en
zelfs van landverraad. De oranjegezinde commandanten in de garnizoenen
zagen nu eindelijk de kans schoon om wraak te nemen voor alle
vernederingen die ze de afgelopen jaren over hun kant hadden laten gaan.
In Den Bosch trokken op 8 november 1787 soldaten met veel machtsvertoon de
stad in. Er werd geschoten, vernield, deuren werden ingetrapt en passanten
mishandeld.
De
volgende dag trok een grote stoet hoog opgetaste rijtuigen de stad uit,
naar rustiger en veiliger oorden.
De
volgende nacht was het weer raak. Bossche oproerigen schenen de soldaten
naar de kroon te willen steken bij het aanrichten van vernielingen. De
volgende dag bleek, dat het garnizoen was uitgewoed, nu zagen zij er op
toe dat het plunderen ophield. Wat zich in Den Bosch op grote schaal
afspeelde deed zich overal in meerdere of mindere mate voor. De
prinsgezinden hadden de tweede slag om de macht gewonnen. De tijd voor de
afrekening was aangebroken.
Verreweg
de meeste patriotten waren de heldhaftige bewoordingen waarin ze elkaar
onderling bijstand hadden beloofd, even vergeten. Ook hun stellige
voornemen om nooit de aristocratie weer de ruimte te geven, werd even
gelaten voor wat het was. De overgrote meerderheid ging vrijuit, dankzij
een vergevingsgezinde opstelling van de Prins. Hij wenste rust, maar kwam
bedrogen uit. Vele duizenden waren uitgeweken om, vaak na een tijdelijk
verblijf in het buitenland, elders in betrekkelijke anonimiteit hun
domicilie te kiezen. Enkele duizenden trokken naar Frankrijk, waar ze
hoopten op betere tijden en een bevrijding van Bataafs Nederland
voorbereidden. Het bleef gisten in Nederland. De vrucht was overrijp het
wachten was slechts op de tuinman die haar zou oogsten.
Tot begin 1795 behoorde Brabant als generaliteitsland tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Van 1747 tot 1751 regeerde Willem IV, Willem Karel Hendrik Friso, erfelijk stadhouder van alle Nederlandse gewesten. Willem was de zoon van Johan Willem Friso en Maria Louisa van Hessen-Kassel. Hij trouwde te Londen op 25-03-1734 met Anna van Hannover de dochter van de Engelse Koning George II. Willem en Maria kregen drie kinderen te weten Carolina, Anna Maria en Willem die later zijn vader zou opvolgen. Prins Willem IV is op 22 october 1751 in 's-Gravenhage overleden. Het waren zeer roerige tijden onder het bewind van Willem IV. De Fransen waren het land binnen gevallen en overal was het oproer en armoede. In 1759 sterft prinses Anna en krijgt de Hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel de voogdij over de 11 jarige prins Willem. In 1766 aanvaard de jonge prins als Willem V de regering maar bind zich volledig aan de Hertog van Brunswijk. Op 4 october 1767 trouwt hij met Wilhelmina Hohenzollern, Prinses van Pruisen. Er worden uit dit huwelijk drie kinderen geboren Louise Frederike, Willem I Frederik en Frederik. De regeringsperiode van Willem V is geen succes geweest en wordt gekenmerkt door binnen- en buitenlandse onlusten. In 1787 moeten de Pruisen hem te hulp komen om zijn gezag te herstellen. Bij de inval van de Fransen vluchtte hij op 18 januari 1795 naar Engeland om nooit meer in het land terug te keren. In 1795 werd door Napoleon de Bataafse Republiek gesticht onder leiding van zijn broer Lodewijk Napoleon Bonaparte.
De
Meierij van Den Bosch bestond in de achttiende eeuw voor het grootste deel
uit uitgestrekte heidevelden.
De
boeren trachtten aan de hongersnood te ontkomen door waar mogelijk de
oppervlakte akkerbouw uit te breiden. Velen werden zo in het nauw gedreven
dat ze niet meer aan hun verplichtingen konden voldoen en naar de steden
trokken. De ontdekking van de aardappel in de jaren 1730-1740 was voor
velen dan ook een hemelgeschenk immers de teelt was ook kleinschalig toe
te passen voor de eigen voedselvoorziening.
Het
ontwikkelingspeil van de Brabantse mens was laag wat een zeer lage
loonstandaard met zich mee bracht. In 1740 werkten al zo'n vijfhonderd weefstoelen voor rekening van Leidse fabrikanten en kooplieden. Naarmate de achttiende eeuw vorderde, werd in Tilburg echter steeds minder in opdracht van vreemde kooplieden gewerkt maar meer voor eigen rekening. In 1790 verplaatste de Leidse lakenfabrikant Pieter Vreede zijn domicilie naar Tilburg.
Tilburg bestond in die tijd uit een aantal herdgangen met midden 18e eeuw ongeveer 7000 inwoners. Het was een periode van politieke en sociale onrust die voortekenen waren van grote sociale maar vooral staatsrechtelijke hervormingen. Noord Brabant was altijd al een soort buffer een stootblok geweest tussen de Noordelijke Nederlanden, de Republiek van boven de rivieren, en de Zuidelijke Nederlanden, de restanten van het oude Hertogdom Brabant dat wij nu kennen als het Koninkrijk België. Er werden altijd wel conflicten uitgevochten en oorlogen gevoerd, waren het niet de Oostenrijkers of Fransen, dan waren het wel de Engelsen of Spanjaarden die ten strijde trokken tegen de Republiek om het bezit van de Zuidelijke Nederlanden. Als grensgebied lag Brabant voortdurend in de frontlinie en werd het of geteisterd door rondtrekkende troepen of leeg geplunderd vanwege de leveringen aan de op haar grondgebied gelegerde troepen. Was het al eens een keer rustig dan zorgde de Republiek met haar hervormde predikanten wel dat de druk in hun wingewest op de ketel bleef.
In
de jaren 1779-1783 heerste er in de Meierij de rode loop, een kwaadaardige
dysenterie die de lijders in enkele dagen veranderde in wrakken.
In Tilburg stelde de stadsregering in februari 1797 een wacht in, die in de maanden november tot maart van tien uur 's avonds tot twee uur 's nachts de wacht moesten houden. Wachtlopers werden voorzien van snaphaan alsmede kruid. Verdachte figuren en vagebonden moesten worden overgedragen aan de hoofdwacht in het centrum van de stad.
In deze roerige jaren leefden Wouterus Embrechts met zijn vrouw Helena en hun kinderen te Tilburg in de herdgang West-Heijcant. Wouterus was van beroep lakenwever en spinder maar was in 1797, zoals uit verslagen uit een rechtspraak tegen hem blijkt, al geruime tijd werkloos dus zonder inkomsten. Hij had dan wel een borgbrief uit zijn geboorteplaats Hulsel maar of dat betekende dat hij enige vorm van ondersteuning genoot is twijfelachtig gezien de totale ontreddering waarin het land verkeerde. Hij zal uit wanhoop dus ook zijn hand weleens hebben opgehouden en langs de kerk zijn gegaan om te smeken om een aalmoes of wat te eten voor zijn kinderen.
Op het moment dat ik deze tekst zittend achter mijn computer aan het invoeren ben moet ik onwillekeurig denken aan de tijd van de Tweede Wereldoorlog toen ook mijn ouders net zoals een groot deel van de bevolking massaal met karren en kinderwagens op hongertocht gingen om bij boeren in de omliggende dorpen om wat eten te vragen in ruil voor hun eigen schamele bezittingen. Is dat te vergelijken met hetgeen onze voorouders hebben meegemaakt vraag ik mijn dan af ?. Ik denk van niet, de problemen, zorgen en onmacht van die tijd moeten, zonder onze ouders tekort te doen, onvoorstelbaar groter zijn geweest.
|
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|