|
|
|
Een uitspraak van Wouterus Embregts alias Wouter van Summeren gedaan op 20 augustus 1797 en opgetekend in de Criminele Rolle van de dorpen Tilborg en Goirle |
|
In de roerige tijden aan het einde van de 18e eeuw is Wouterus Embregts, die ook wel naar zijn stiefvader, Wouter van Summeren werd genoemd, in aanvaring gekomen met de rechtelijke macht van die tijd. Waarom dat een en ander toen zo is gelopen zal wel altijd in het ongewisse blijven. Vast staat wel dat hij blijkbaar in een roekeloze bui tot zijn daden is gekomen. Was Wouterus een notoire boef of een slachtoffer van zijn tijd die uit wanhoop tot zijn misstap is gekomen hij was immers werkloos, zoals hij verteld, en moest zonder inkomen voor zijn vrouw en drie kinderen zorgen.
Iedere genealoog hoopt tijdens zijn onderzoek bijzondere zaken op het spoor te komen er zonder meer van uitgaande dat die dan per definitie positief zullen zijn. In gedachten ziet hij dan hoe een voorvader zich het zweet van het voorhoofd wist bij het verrichten van zijn dagelijkse arbeid nog liever wil hij ontdekken dat zijn voorvaderen belangrijke personen waren die wat in de pap te brokkelen hadden. Als je ontdekt dat een van je voorouders blijkbaar geen heilig boontje was schrik je even en ben je geneigd met het onderzoek te stoppen. Al vlug echter raak je geboeid door al die processtukken met waardevolle informatie en denk je, eigenlijk bof ik met zo'n voorouder die zoveel kleur geeft aan de familiegeschiedenis. Als dan ook nog alle processtukken volledig en in goede staat bewaard zijn gebleven dan ben je graag bereid om je voorouder zijn misstap te vergeven. Wouterus Embregts is overigens nooit veroordeeld dus de vraag blijft was het wel een misstap of was het gewoon een ruzie waaruit de tegenpartij een slaatje probeerde te slaan. Vast staat dat er in de rechtspraak van toen en grote willekeur was, wie geld had kon veel kopen en wie arm was werd vaak aangeklaagd en onder foltering tot een bekentenis gedwongen ter meerdere eer en glorie van de toenmalige machthebbers.
De opvattingen over recht en vergelding veranderden in de loop van de tijd en vooral heel snel in de achttiende eeuw. De overtuiging werd algemeen dat de rechtsprekende macht niet in dezelfde hand thuishoorde als de uitvoerende en wetgevende macht. Ook begon de heersende bovenlaag van de bevolking meer oog te krijgen voor de maatschappelijke oorzaken van de misdaad en voor verzachtende omstandigheden.
Kenmerkend zijn de woorden waarmee Adriaan van der Willigen in zijn memoires de balans van zijn functioneren als drossaard in de periode 1795-1801 opmaakt: "Nimmer was ik tot doodrecht, slechts driemaal tot geselen en brandmerken genoodsaakt geweest. De ondervinding had geleerd, dat gestrengheid veeltijds noodsakelijk was en dat al te zacht in de gevolgen dikwijls wreed is. Van geldboeten, die de wet mij toekende, vorderde ik nooit de uiterste penning en nam daarbij altijd de omstandigheden en den toestand der menschen in acht, doch al te zacht was mij gebleken ook niet dienstig te wesen." En dat moeten we dan zien tegen de achtergrond van een rechtspraktijk van nog maar weinige decennia daarvoor, toen pijniging en wrede vormen van terechtstelling nog aan de orde van de dag waren en door velen nog als een openbare vermakelijkheid en brood voor het volk werden beschouwd.
Hieronder de processtukken die in het archief van Tilburg bewaard zijn gebleven onder de Criminele Rol, nummer 297
|
|
Tilburg Criminele Rolle, nummer 297 Adriaan van der Willigen, Drossaard van Tilborg en Goirle contra Wouterus Embregts alias Wouter van Summeren
Dit processtuk bestaat uit 10 documenten
|
|
Document No 1
Oculaire Inspectie ten requisitie van den Burger Adriaan van der Willigen Drossaard van Tilborg en Goirle Nomine Officie Den 21 augustus 1797
Jura en zegel Rest.
C. van Vugt H.Hoosemans
Heeden den tienden maart 1700 Agt en negentigh compareerde voor de leede muniapaalen 't stat deeze genaamt Sander Fritsaers, Gerardus van Loon, Arnoldus Netten en Peter van den Brekel, alle gerechtelijk geciteert, ten einde optreeden nader te worden gehoord, en Wouter Embregts alias Wouter van Summeren, strikt gegeijzelde alhier, tegens hem te worden geconfronteerd, welke voornoemde getuijgens bevoorens onder Heijligen en Solemmeelens Eeden op heeden inpresentie van den strikt gegeijzelden hebben verklaard de waarheid in bijweezen van hem strikt gegeijzelden te zullen zeggen op het geene in de naastvolgende .......... zal worden voorgehouden.
Den strikt gegeijzelde zegt de persoonen in margine deezes gemeld met kennis niet te kennen.
Articulen en vraagpointen om daar op ter Instantie en requisitie van den Burger Petrus Josephus Matthijs President Scheepen, bij absentie van den Burger Adriaan van der Willigen, Drossaard van Tilborg en Goirle, voor en in naame, van den selven Drossaard Nomine Officii uijt kragte van Decreet van de muniapaliteit alhier zijnde van dato 3e maart 1798 te worden geconfronteerd, Wouter Embregts, alias van Seumeren strickt gegeijselde alhier teegens de getuijgens in margine deezes gesteld en daarote geregtelijk geciteerd.
|
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daar of hij gegijselde teegens de van niet te kennen zeggen geloofswaarheid van die ..... die zijn, zijn zo goed dan..... melde Persoonen iets weet in zijn ze goed, en zijn ze kwaat te kunnen brengen dan zijn ze kwaat.
|
Art. 1
Den strickt gegeijselde Wouter Embregts te vraagen, of hij de Persoonen hier boven genoemd kend.
Den strick gegijselde word van weegens het officie aangezegd
|
|
Den strikt gegeijzelde zegt bij zijnent weeten niet
|
Art. 3
Dat hij strick gegeijselde in den nagt tusschen den 20e en 21e augustus des jaars 1797 zig heeft bevonden in het schop van Jan van Gool alhier aan de Westen heijkant ter plaatse de Zwartreijd
|
|
Den strikt gegeijzelde zegt zulk niet te weeten
|
Art. 4
Dat gemelde Jan van Gool ontwaar wordende dat zig iemand int gesegde schop bevond, de deur van 't schop die in huijs uijtqwam is geopend geworden.
|
|
Den strikt gegeijzelde zegt daarvan niet te weeten |
Art. 5
Dat hij strik gegijselde daar op uijt gesegde schop en huijs is gekoomen, en gesegd heeft hier is hij nouw
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daarvan niets te weeten
|
Art 6
Dat hij strick gegijselde vervolgens uijt die huijsinge van Jan van Gool moetende gaan hij gegijselde op die persoonen die hem den huijse deede uijtgaan is aangevallen zoodanig dat die luijde werck hadden hem af te keeren.
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daarvan niets te weeten maar wel dat des anderen daags zijne knooken zeer deeden, dan niet te weeten off zulik van slaan off vallen kwam |
Art 7
Dat hij strick gegijselde van die persoonen die hij als voorschreeven op het lijf viel, of wilde vallen een slag of twee op den arm en een douw heeft gekreegen
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnent weeten niet
|
Art 8
Dat hij gegijselde op die zelve nagt vervolgens voor de huijzinge van Arnoldus Nette en Peter van den Brekel is gaan staan, en dat Peter van den Breeckel aan zijn voordeur koomende, hij gegijselde denselven gevraagd heeft na vuur om zijn pijp aan te steeken en die geen vuur hebbende, hij gegijselde dat gevraagd heeft aan Arnoldus Nette die meede aan zijn voordeur was; dog die zeede almeede geen vuur te hebben
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daarvan niet te weeten
|
Art. 9
Eindelijk dat hij strck gegijselde daar op heeft geflooten en door andere is teegen geflooten, waarop Peter van den Brekel en Arnoldus Nette zijn binnen gegaan en hunne deuren geslooten
|
|
Aldus de voorschreven Articulen den strikt gegeijzelde in presentie dat getuijgens voorgehouden zijnde en hem strickt gegeijzelde tegens voornoemde getuijgen geconfronteert, zo hebben zij getuijgens in presentie van hem strikt gegeijzelde verklaard alnog een ieder bij hunne gegeeve verklaaring op den 26 augustus te blijven persisteeren en dat zij alle na waarheid daar in hebben getuijgd. Aldus den strikt gegeijzelde jeegens de getuijgens in het hoofd deezes genoemt geconfronteerd, welke strikt gegeijzelde op de voornoemde articulen heeft geantwoord zooals in margine van dezen articulen staat geammateerd en hebben de getuijgens na alvoorens onder Solemmeelen Eede geswooren te hebben in zijne presentie de waarheid te zullen zeggen gedeelareerd als hier voorgemeld, ten overtsaan van Jan Anthonie van Spaandoncx en Pieter van de Loo, leede miniapaal van Tilborg en Goirle op heeden ten extra ordinaire rechtdag van den Tiende maart 1700 agt en negentig. |
|
|
Dit hand
|
|
|
Dit handmerk
|
|
|
Gerardus van Loon
|
|
|
Dit handmerk
|
|
|
Dit handmerk
|
|
|
Jan Antonij van Spaandonck Pieter van der Loo
P.J. Mathijs Loco Drossaard
|
|
|
|
Links Adriaan van der Willigen drossaard van Tilborg en Goirle Adriaan van der Willigen kwam in 1792 als rentenier naar Tilburg. In 1794 werd hij benoemd tot hulpsecretaris. Op 21 juni 1795 werd hij de eerst gekozen drossaard van Tilburg. Teleurgesteld door de politieke ontwikkelingen gaf hij deze functie begin 1802 op en vestigde hij zich in Haarlem. Met deze gezagdrager heeft Wouterus Embregts oog in oog gestaan en zijn hem de verschillende verhoren afgenomen. |
|
Document No |
|
|
|
|
|
|
Bëeedigde Attestatie van Sander Fritsaers .......... ter Requisitie van Adriaan van den Willigen Drossaard van Tilborg en Goirle Nomine Officie
Den 26 augustus 1797
Fol 65
Jura en Zegel Rest. |
|
Pro Justitia
|
Extract uijt de Criminele Rolle binnen Tilborg en Goirle
Extra ordinaire Regtdag gehouden den 14e meij 1798 |
|
Fiat copie en dag en word den Regtdag belegt heden over agt dagen, zullende zijn 21 meij 1798, des 'smorgens 10 uuren
|
Den Burger Adriaan van der Willigen Drossaard van Tilborg en Goirle nomine officie Eijsscher en aanlegger ter eenre op ende jegens Wouterus Embregts bijgenaamd Wouter van Summeren strick gegijzelde alhier gedaagde ter andere zijde
|
|
Van Meurs als Procureur voorden nomine officie Eijsscher en aanlegger, diend schriftuure van Ticht en aanspraak crimineel cumannexis en concluderend als bijdezelve Schouw als procureur voorden gedaagde versoeckt copie en dag Extraordinaire Regtdag gehouden den 21e meij 1798
|
|
|
Fiat en den Regtdag word belegt den 28e meij 1798 'smorgens om 10 uuren
|
Den Burger Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts bijgenaamd Wouterus van Summeren &ª |
|
Van Meurs als procureur voorden nomine officie eijsscher en Aanlegger kort aanden gedaagden zijnen peremtoiren Termijn
|
|
|
|
Extra ordinaire Regtdag gehouden den 28ste meij 1798 |
|
Gecontinueerd |
Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts bijgenaamd Wouter van Summeren &ª |
|
Fiat Copie, en word den Regtdag belegd heeden over agt dagen, zullende zijn den 11e junij 1798 des 'smorgens 10 uuren
|
Extraordinaire Regtdag gehouden den 4e junij 1798 Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts bijgenaamd Wouterus van Summeren &ª |
|
Schouw als Procureur voorden gedaagde diend Schrifture van Antwoord cum annexis concluderend als bijdezelve
Van Meurs als Procureur voor den Eijsscher versoekt copie
|
|
|
Fiat, versteeg van Replicq Salvo ad primairi, en word den Regtdag belegt, heden over agt dagen, zullende zijn den 18 junij 1798 des 'smorgens 10 uuren
|
Extra ordinaire Regtdag gehouden den 11e junij 1798
Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts, bijgenaamd Wouter van Summeren &ª |
|
Schouw als procureur voor den gedaagde versoekt tegens den Pratione Officie Eijsscher en aanlegger verstecq van Replicq Salvo ad Primairi
|
|
|
Fiat eerste prolongatie en word den Regtdag belegd heden over 8 dagen, zullende zijn den 25 junij 1798 'smorgens ten 10 uuren
|
Extra ordinaire Regtdag gehouden den 18e junij 1798
Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts, bijgenaamd Wouter van Summeren &ª |
|
Schouw als procureur voor den gedaagde Continueerd de Rolle mits clurante Rodula nog dag loopt volgens het ergane verstecq
Van Meurs als Procureur voorden Patrione Officie eijsscher en aanlegger versoekt een eerste Prolongatie
|
|
|
Fiat copie en dag, en word den Regtdag belegd heden over agt dagen, zullende zijn 2e julij 1798 'smorgens om 10 uuren
|
Extraordinaire Regtdag gehouden op 25e junij 1798
Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts, bijgenaamd Wouter van Summeren &ª
|
|
Van Meurs als procureur voor den Nomine officie Eijsscher en aanlegger diend schrifture van Replicq, concludeert en Persisteerd als bijdezelve Schouw als procureur voorden gedaagde versoekt copie en dag
|
|
|
Fiat copie, en word den Rgetdag belegd over 14 dagen, tot het fourneren van stukken en voegen van korte deductie
|
Extra ordinaire Regtdag gehouden den 2 julij 1798
Adriaan van der Willigen &ª op ende jegens Wouterus Embregts, bijgenaamd Wouter van Summeren &ª |
|
Schouw als procureur voor den gedaagde diend schrifture van Duplicq, en Concluderend als bijdezelve Van Meurs als Procureur voorden Eijsscher versoekt copie Wijders sluijten Partheijen Procureurs in zaaken en versoecken dag tot fournissement van stukken, en voegen van korte Deductie
Accordeert met voorschreven Rolle voor zooveel het geextraheerden aangaat
|
|
|
Document No 2 |
|
|
|
|
|
Articulen Responsives
C. van Vugt |
|
|
Compareerde voor de leeden muniapaal van Tilborg en Goirle ondergenoemd de Burgers Sander Fritsaers, Gerardus van Loon, Arnoldus Nette en Peter van den Breekel alle van competenten ouderdom en wonende alhier, welke comparanten ter Requisitie van den Burgers Adriaan van der Willigen, Drossaard van genoemde dorpen Nomine Officii onder Solemnelen Eede hebben verklaard waar en waaragtig te zijn, en wel eerst de twee eerstgenoemde in ordine Attestanten, dat zij beijde des snags, tusschen den 20 en 21 augustus laatsleeden ruijm twaalf uuren, op wegt zijnde na Holland en geavenceert zijnde, tot omtrent de woonhuijzinge van Jan van Gool alhier aan den westenheijkant ter plaatse de zwartreijt, gezien hebben, dat voornoemde Jan van Gool en huijsvrouwe over de onderdeur haarer huijzing laagen, hoorende zij niet dan overluijdt om hulp riepen, zij attestanten daar naar toe zijn gegaan en gevraagd hebbende wat er te doen was, voornoemde van Gool hun berigt heeft, dat er iemand in zijn schop gebrooken was en 'er zig nog in bevond, dat hij van Gool geantwoord had, er vuur int schop geslaagen was, zij attestanten vervolgens aan meer voornoemde van Gool hebben gezegt, hij de deur vant schop koomende in huijs zoude openen, dat zij in de voordeur zouden blijven staan, en wanneer hem molest wierde aangedaan hem zouden helpen, dat voornoemde van Gool daar op de deur van't schop heeft geopend, zij attestanten gezien hebben dat eene Wouter van Summeren uijt gezegde schop is gekoomen, zeggende hier is hij nouw, en avanceerende op meervoornoemde van Gool in, dat zij attestanten hem vervolgens uijt die huijzinge hebben doen koomen, hij op hun is aangevallen, zodanig dat zij werk hadden om hem van hun leijff te keeren; Dat den tweeden genoemde comparant genootsaakt was hem een slag oft twee op zijn arm te geeven en na dat den eerstgenoemde comparant hem nog een douw had gegeeven heen gegaan is. Dat zij attestanten vervolgens op versoeck van dekeeeerst genoemde van Gool en huijsvrouwe, de gebuuren zijnde de twee laatstgenoemde attestanten hebben opgeroepen, en hun wegt vervolgt. De twee laatstgenoemde attestanten afsonderlijk verklaarende, zeggen dat zij dessnagts tusschen den 20en en 21e deezen maand Augustus om half een uuren door de twee eerstgenoemde attestanten zijn opgeroepen om voornoemde van Gool te adsisteeren dat zij beide opgestaan zijnde, en aan de voordeur komende gezien hebben dat Wouter van Summeren, voor haare huijzinge stind, dat den zelven aan hem laatstgenoemde attestant gevraagd heeft om vuur, teneinde zijn pijp aan te steeken, dat hij attestant hem gezegd heeft dat geen vuur aan had, hij van Summeren sulks mede aan hem derde genoemde attestant gevraagt heeft welke hem geantwoord hebbende op weijze als den laatstgenoemde attestant, hij van Summeren daarop geflooten heeft, en hoorende dat daar op teegen geflooten wierd. Zij attestanten de deur hebben toegedaan; Dat attestanten hoorende er eenige mensschen voorbij haare huijzinge passeerde de deur weder hebben geopend en na de woonhuijzinge van voornoemde van Gool zijn gegaan, dat zij bij die huiijzinge hebben vinden staan Piet van de Pol, Martinus van Glove, Jan Sparidaans en Hendrick Bragt gegageert soldaat, dat zij attestanten tot omtrent één uur van dien nagt ten huijze van van Gool ziin verbleeven, en fat er tot dien tijd niets meerder is voorgevallen. Eindigende zij attestanten hier mede hunne gegevene verklaring, gevende voor Reedenen van welwetenheid als in den text hun attestanten zelve nog in goede en versche geheugenisse te zijn, en hebben naar aandagtige preelectuure daar bij blijven persisteeren en allent zelve met heijligen en Solemneelen Eede bevestigt zeggende eenieder van hun den woorden zoo waarlijk helpe mij God Almagtig, ten staave van den Requirant in .......... zijne lualiteit voor en ten overstaan van Willebrordus Antonius Dams en Johannes Franciscus van Hal leeden muncipaal van Tilborg en Goirle die de minute ten Registere benevens de voornoemde attestanten Requirant en mij ondergeschreeve Secretaris behoorlijk hebben ondertekend.
Actum Tilborg den zes en twintigsten augustus 1700 zeeven en negentig
|
|
|
Document No 3
Remonstrantie van Den Burger Adriaan van der Willigen Drossaard Nomine officii
omme decreet van apprehensie tot lasten van Wouterus van Summeren
van Meurs proc. 1797 9 m: 30 D:
C. van Vugt H. Hoosemans
Op heeden den eenentwintigsten Augustus 1700 Zeeven en negentig hebben wij Willebrordus Antonius Dams en Johannes Franciscus van Hal, leeden municipaal van Tilborg en Goirle, geadsisteerd met den secretaris Izaac Bles, ons ten requisite in bijweezen van Adriaan van der Willigen Drossaard van gemeene Dorpen Nomina Officii vervoegd alhier binnen Tilborg ten woonhuijze van Jan van Gool in den westenheijkant. En heeft voornoemde van Gool en huijsvrouw Johanna Maria Schreppers gedeclareerd, dat gisteravond tusschen half agt en agt uuren aan de voordeur hunner huijzingen geklopt wierd, en door iemand versogt de deur te openen ten einden zijn pijp aan te steekenen, dat zij tweede genoemde attestante de deur geopend hebbende, binnen gekoomen is, Wouter van Summeren zig plaatschende op een stoel in den hoek van de schouw, dat zij tweede genoemde Attestante Johanna Maria Schreppers ziende de genoemde van Summeren geen mentie maakte van heen te gaan, hem versogt heeft om den huijs uijt te gaan, op dat zij na bed, zouden kunnen gaan, dat hij van Summeren daar op geantwoord heeft, ik wil niet gecommandeert zijn, en vervolgens in het midden van het vertrek gegaan zijnde, na zijn mes taste, dat zij tweede genoemde Attestante toegeschoten is, en zijn handen vast gehouden heeft, dat er juist op die tijd eenig gespraak op de straat was, waarop den voornoemde van Summeren, den huijs is uijtgegaan, en zij attestant de deur geslooten hebbende, dat zij beijde Attestanten gehoord hebben dat er op straat bij herhaling geflooten, in den handen gespouwt en geklapt wierd. Dat omtrent twaalf uuren van dien nagt eenige vitselstokken uijt de weegt of want van hun schop getrokken wierden, vervolgens het vengster van dito schop t gunt toegenageld was, uijtgestooten en opengebrooken wierd, dat zij vervolgens hoorden, dat daar door iemand in het schop kwam en zig tot slaapen begaff. Dat teegens een á half twee uuren van dien nagt, voorbij haare huijzinge komende twee manspersoonen zijnde Sander Fritsaers en de zoon van van Loon uijt de Hasselt, dat zij attestanten, hoorende, dat er in het schop vüür geslagen wierd de beijde voornoemde persoonen tot atsistentie hebben geroepen vervolgens de deur van het schop ontsloten en opengezet hebben, waaruijt, op het zeggen van de beide voornoemde persoonen, dat er uijt moest komen, gekoomen is, den meervoornoemde Wouter van Summeren, welke zonder een woord te spreeken de deur is uijtgegaan dat de voornoemde Fritsaers en de zoon van van Loon hun wegmoetende vervolgens de buuren, te weeten Arnoldus Netten en Peter van den Brekel versogt hebben om hunne Attestanten te adsisteren, dat die gebuuren hun hadden gezegt, gezien te hebben dat meervoornoemde Wouter van Summeren omtrent haare woonhuijzinge stond. Laatselijk hebben wij op aanweijzinge van de Attestanten gezien, dat ten zijde van hun schop, eenige vitselstokken uijt de weegt getrokken waaren, en dat het houte vengster na binnen open was gestooten, zodanig dat het binnen het schop op de grond lag.
Aldus geinspecteerd, bevonden en gedeclareerd, op dato als int hoofd deezer
Luod Attestos
|
|
|
|
|
|
|
|
De Heuvel te Tilburg in het jaar 1760 met in het midden de lindeboom en links daarvan de galg |
Voorstelling Justitia van Pieter Breughel uit 1559 Verschillende fasen in de zitting van het gerecht worden hier afgebeeld. De vierschaar op de Heuvel zou er ongeveer hebben kunnen uitzien als rechts op de foto met een houten afdakje voor de schrijvers. Links de pijnbank om de verdachte tot een bekentenis te dwingen. |
|
|
|
|
Document No 4 |
|
|
|
|
|
|
reparatoir verhoor van |
|
|
van |
|
|
Wouterus Embregts bijgenaamd |
|
|
Wouterus van Summeren |
|
|
|
|
|
14e Februari 1798 |
|
|
|
|
C. van Vugt |
H. Hoosemans |
|
|
|
|
|
Articulen van Vraagpoinc ten omme daar op ter Instantie en requisitie van den Burger Adriaan van der Willigen Drossaard van Tilborg en Goirle alhier Nomine Officii ten overstaan van Commissarissen uijt de Muniapaliteit alhier te vraagen, hooren en examineeren den Persoon van Wouterus Embregts alias Wouter van Summeren strict gegijselde alhier |
|
|
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt genaamt te zijn Wouterus Embregts alias Wouter van Summeren, oud circa zeeven en dertig jaaren en hem professie te zijn een laake vouwer en woonende alhier
|
Art. 1
Uw naam, ouderdom. woonplaats en Professie
|
|
Den strickt gegeijzelde affermeerd (assermeerd) den Aet
|
Art. 2
Is aan uw ook bekend Eenen Jan van Gool woonende alhier aan de Swartreijd
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijn weete niet |
Art. 3
Hebt gij uw bij genoemde van Gool des avonds van den 20e augustus des gepasseerde jaars niet in huijs bevonden
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt niet te weeten daar in geweest te zijn, maar wel van anderen te hebben hoorens zeggen daar omtrent geweest te zijn
|
Art. 4
Zijt gij daarna ook niet geweest in het schuurtje of schop aan genoemde huijsinge behoorende
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnens 'sweeten daar niets gedaan te hebben
|
Art, 5
Wat hebt gij bij genoemde Jan van Gool gedaan
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daarvan niets te weeten
|
Art. 6
Hoe zijt gij in voornoemde schuurtje of schop gekoomen
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt daarvan niets te weeten
|
Art. 7
Hebt gij in dat schop ook geen vuur geslaagen
|
|
Cessat
|
Art. 8
Om wat reeden hebt gij daar in vuur geslaagen
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt dat venster niet opengedaan te hebben
|
Art. 9
Hoe hebt gij het houten vengster van meergemelde schop open gekreegen
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt neen
|
Art. 10
Hebt gij uijt weegt of want van het schop ook niet enige vitsel stokken getrokken
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijn weete niet
|
Art. 11
Is eindelijk de deur van dikwerfs genoemde schop in huijs koomende niet geopend en heeft men uw daar niet doen uijtgaan
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnens weeten daar van niet te weeten
|
Art. 12
Zeijt gij toen nog niet aangevallen op eenige persoonen die daar tot assistentie geroepen waaren
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnens weete niet
|
Art. 13
kent gij die persoonen ook
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnens weete niet maar des anderen daags peijn in zijne armen gevoeld te hebben dog niet te weeten off zulcs veroorzaakt is van slaan off wel vallen
|
Art. 14
Heeft een derselver u niet eenige slaagen op den arm gegeeven
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt zukcs niet te weeten maar denkelijk na huijs gesukkelt te zijn, bij nader voorleezing van dat antwoord zegt hij bij zijnen 'sweeten niet in de huijzinge van Jan van Gool geweest te zijn
|
Art. 15
Waar zijt gij vervolgens uijt de huijzinge van Jan van Gool koomende naar toe gegaan
|
|
Den strickt gegeijzelde zegt bij zijnens 'sweeten niet dan alleen dat van den hemel met blindheid geslaagen is
|
Art. 16
Hebt gij hier nog iets bij te voegen of tot uw verschooning in te brengen
|
|
|
A. van der Willigen |
|
|
|
|
Aldus den voorschreeven strickt gegeijzelde gevraagd gehoord en geexamineerd denwelke daarop heeft gedeponeerd zoo ende gelijk in margine van iedrs articul staat aangeteekend, en zulcx ten overstaan van Anthonij Govert Pessers en Hendrik Leonardus van Tulder leeden Municysaal van Tilborg en Goirle Heeden in Tilborg den Seeventienden Februarij 1700 agt en negentich
|
|
|
Dit handmerck
|
|
|
verklaard niet te kunnen schrijven
Antonie G. Pessers Hendrick van Tulder |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|